Ik wilde altijd al een elfje zijn, en vandaag ben ik daar behoorlijk dicht bij. Als ik een foto maak van mezelf in een grasrijk gebied, krijg ik altijd dezelfde berichtjes. Dat ik een elfje ben. Dat er niemand zo goed in het landschap past als ik.
In mijn slaapkamer ligt al een paar jaar een roos van jericho. Hij is meegereisd van mijn ouderlijk huis, naar een eerste appartement, naar de gezinswoning die ik nu huur. Hoe lang ik hem heb, weet ik eigenlijk niet. Van wie ik hem kreeg, weet ik eigenlijk ook niet. Wel weet ik dat het van een vrouw was en dat er een uitleg bij hoorde. Dat het een geschenk was om me geluk te wensen. Een roos van jericho is een gek plantje. De lazarus van de woestijnplanten. Het is eerst een droog, wortelig ding, dat wanneer je het in water legt in bloei komt en eruitziet als een soort mini kerstboom. Weer droog geworden krult ie weer op om telkens te herleven. Met zijn eeuwige leven staat hij in bepaalde kringen natuurlijk voor transformatie en wedergeboorte. Vrouwen met losse sjaals aan gebruiken de roos van jericho vaak als een herinnering aan je eigen veerkracht. Mijn lief vindt het vooral een ranzige en afzichtelijke toevoeging aan ons huishhouden, en vraagt om de twee maanden wel eens wanneer ik hem weg zal gooien, en of dat ding niet gaat schimmelen.
Hij schimmelt ook wel af en toe. Maar weggooien, daarvoor hangt mijn roosje in een te mysterieuze waas. Ik weet niet meer van wie, in welke context of hoe, of zelfs wanneer ik hem kreeg. Ik ben nochtans een chronische overdenker™ én sentimenteel: normaalgesproken houd ik dat soort kennis best goed vast. Maar de roos ontsnapt aan mijn controledwang. De ‘vibes’ van de gift, die weet ik nog. Het was een van de vele ‘spirituele vrouwen’ (vaak in losse sjaals of poncho’s) die me ooit iets gaven. Zo kan ik wel meer verhaaltjes opdissen. Momenten waarin iets op me af kwam, vaak vergezeld van een vrouw, een moederfiguur, die me fascineren en mij het gevoel geven dat ik tussen verschillende lagen leef. Zoals een elfje.
Ik wil gewoon een elfje zijn. Ik heb altijd dat gevoel gehad. Dat dingen op me af kwamen, die ik niet goed begreep. Dat ik een tussenwezen ben. Zoals de elfjes: want wie denkt aan Winx Club, begrijp ik zeer, maar elfjes zijn historisch meer verwant aan kobolden, dwergen, trollen. De mensachtigen, die meer zijn dan mens. Die spelen, die genezen of net ziekte aanrichten. Net zoals 54% van de Ijslandse bevolking was ik trouwens lang een echte believer. Ik overtuigde mezelf ervan dat ik een wisselkind was; dat het meisje dat mijn ouders hadden gekregen, was gestolen door de elfjes en kobolden en dat ik in de plaats was gelegd.
Ik voelde me te anders – steek dat gerust op laat-gediagnosticeerde ADHD, hypersensitiviteit of een minderwaardigheidscomplex.
Is het een gevoel van niet-horen, niet-begrijpen dat mij, en al die vrouwen die kleine meisjes spirituele spulletjes cadeau doen, zo bezighoudt? Is er meer aan de hand? Is het drang naar de natuur? Is het drang naar opnieuw een worden met iets waarvan ik voel dat ik zo ver verwijderd ben? Wat zoek ik in new age spiritualiteit, kristallen die voor mijn raam hangen en salie die zachtjes rookt in de achtergrond van mijn zondagmiddag? Ik ontmoet mensen die veel meer beleven dan mij. Of zeggen dat ze dat doen. Ik dans op een koord tussen wat ik wil geloven en wat ik geloof. De gedachte dat er meer is, is ook de troostgedachte van een angsthaas.
Op het diepst van mijn angsten zat ik rillend in een bad, verdween alles om me heen en zag ik enkel nog het gezicht van mijn lief. Hij vroeg me waar ik aan dacht, want ik had blijkbaar al 8 uur gezwegen. Ik zei dat ik niet wou dat alles eindigde. Hij zei dat hij dat een geruststellend idee vond. Ik kon er niet bij.
Angst wijkt, wanneer ik haar ruimte geef. Wanneer ik mezelf ruimte geef. Wanneer ik mezelf een idioom aanbied. Naai de slagpennen van al je vrienden in de plooien van je armen. Weet dat het pijn doet als ze loskomen, maar dat alleen zo je vleugels vliegen. Ik verlang naar vliegen, naar elfjes, naar rozen die bloeien nadat ze verwelken. Ik verlang naar magie in het dagelijkse leven. Ik ervaar die ook. Het is wanneer ik ze opzij duw, dat ze verandert in angst. In een veelkoppig monster met grijpgrage handen, die alle leven uit mijn lijf duwen. Wanneer ik ze probeer te mijden, zijn mijn visioenen visioenen van de dood. Zie ik mezelf ergens in een toekomst, in een staat van ontbinding.
Wanneer ik ze laat zijn, zijn het onnozele dingen.
Dat ik hier al eens gezeten heb.
Dat de wifi al eens is uitgevallen.
Dat jij deze exacte verspreking al eens deed.
Raar.
Ik lees over de cost of dying crisis. Zelfs je heengaan is een kapitalistische nachtmerrie. In het Verenigd Koninkrijk moeten steeds meer families crowdfundings organiseren om hun nabestaanden een waardige begrafenis te kunnen verzorgen. Ik zit in een gezapige bijeenkomst onder twintigers te mekkeren over wetenschap, geneeskunde en autopsieën en we schudden het allemaal van ons af want ‘dan ben je toch dood’. ‘Dan ben je toch dood’, dus wat maakt het uit of je familie voor je begrafenis kan betalen? Toch heel wat, voel ik instinctief. Is het je nagedachtenis, is het de verbintenis die nog niet kapot mag, wat is dit eigenlijk? Zelfs pinguïns vinden het nodig om een ritueel te orkestreren wanneer een pinguïn doodgaat; zelfs olifanten blijven dagen bij een lijk staan, de oren naar beneden wijzend, pijlend. Wachtend. Of er nog iets gaat gebeuren.
In ‘Arrival’ volg je een linguïste die aliens leert begrijpen door hun taal te leren. De heptapods hebben ook een andere, niet-lineaire beleving van tijd en ruimte, waarin ze altijd alles tegelijk beleven en zien. Wanneer de linguïste zich in hun taal verdiept, neemt ze die wereldbeleving over. Dat is een effect van de Sapir-Whorfhypothese: het idee dat je taal de werkelijkheid kleurt, en dus ook omgekeerd. Het is gebaseerd op het (intussen ontkrachtte) volksgeloof dat de inuït bijvoorbeeld 100 woorden voor sneeuw hebben, en daardoor ook meer onderscheid (her)kennen. Ik ben geobsedeerd met die film, met het idee van Sapir-Worf (ookal vinden serieuze wetenschappers dat het al tig keer is ‘debunked’) en ben zo diep geraakt door de scène waarin de linguïste alles tegelijk aan zichzelf voorbij ziet gaan. Dan zie ik mezelf. Ik zie hoeveel pijn het doet, hoeveel verdriet, maar ook hoeveel troost het biedt. Binnen de science fiction film is die alternatieve tijdsbeleving plots het antwoord op een wereldbedreigende kwestie. Maar als alles tegelijk gebeurd, ben je natuurlijk tegelijkertijd rouwend ‘beroofd’ van je echtgenoot, als nog volop in je wittebroodsweken. Emotioneel verwarrend, maar misschien ook een troost?
Nee, ik zoek te veel naar waarde. Naar een pointe, een ja en een nee. Het enige waar ik echt op kan komen, is dat ik voel dat er dingen zijn die ik niet snap, en dat mijn lijf dat voelen nodig heeft. Dat mijn hele zenuwstelsel is geknapt op het moment dat ik wilde wéten wat er gebeurde met kisten die we de grond in graven. Dat ik het wilde falsifiëren. Dat ik wilde begrijpen. Bevatten. Categoriseren. Juist. Troost. Positief. Negatief.
Het enige dat klopt, is dat er tussenruimte is. Een liminale fase waarin ik niet weet wat ik geloof, enkel leef. Dat het leven liminaal is – bestaan tussen twee fasen van niet bestaan. Dat mijn taal me niet toelaat om daar voorbij te kijken. Dat mijn taal me tegenhoudt een elfje te zijn.
Hoe ironisch voor een schrijver.
